Publieke goederen

by

‘Een public good is een product of dienst, vrij te gebruiken door iedereen, zonder dat de hoeveelheid of de toegankelijkheid van deze producten of diensten voor ieder willekeurig individu vermindert’ (vertaling van Samuelson, 1954:387) De term public wijst op het feit dat producten of diensten geen eigendom zijn van iemand. Het begrip wordt voor het eerst in 1954 omschreven door Paul Samuelson in zijn paper The pure theory of public expenditure, met de benaming ‘collective consumption good’ (Samuelson, 1954:387). Publieke goederen hebben twee eigenschappen: er is geen concurrentie in de consumptie en er is geen prijsconcurrentie. Er is geen concurrentie in de consumptie omdat door het consumeren van een goed door een individu geen voordelen verloren gaan voor het consumeren van een goed door een ander individu. Er is geen prijsconcurrentie omdat er geen schaarste in het goed heerst: het gebruik van een dergelijk goed van de één, heeft geen gevolgen voor het gebruik van een ander (Hudson & Jones, 2005:267-268).

Kritiek op de benadering van Samuelson is dat er onder de definitie van public goods nauwelijks goederen te scharen zijn. Diverse andere auteurs (Head, 1962; Peston, 1972; Buchanan, 1968; Musgrave, 1969 in Hudson & Jones, 2005:268) maken een andere classificering van public goods. De moeilijke classificering wordt ook in het Nederlands zichtbaar. Hier worden twee begrippen onderscheiden, te weten publieke goederen en collectieve goederen. Het laatste begrip is verder te specificeren in zuivere en quasi- of semi- collectieve goederen. Een publiek goed komt overeen met de al genoemde omschrijving van public good door Samuelson. Een collectief goed wordt gezien als een ruimer begrip, waarbij consumenten gratis gebruik mogen of kunnen maken van een goed dat door de overheid wordt gefinancierd. Onder dit begrip vallen de goederen waar individuen niet van kunnen worden uitgesloten om welke reden dan ook. Het prijsmechanisme is niet van toepassing op collectieve goederen omdat er te weinig exclusiviteit is. Ieder individu profiteert van deze goederen, ongeacht het feit of hiervoor betaald wordt of niet (Van den Noort, 1986:5).

Quasi- of semicollectieve goederen onderscheiden zich van collectieve goederen doordat de mogelijkheid bestaat individuen uit te sluiten van gebruikmaking van deze goederen. Bekostiging gebeurt ten minste deels door de overheid (Van den Noort, 1986:5).

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s


%d bloggers op de volgende wijze: