Blue economy

april 2, 2012 by

De Blue Economy staat voor het ontwerpen van een ander soort economie. Een economie met een nieuw business model, waardoor de maatschappij verschuift van schaarste naar overvloed van aanwezige materialen dankzij doeltreffende innovaties. Ook leidt de Blue Economy tot meer welvaart en werkgelegenheid, terwijl er minder investeringen nodig zijn (Pauli, 2010). De Blue Economy is geïnspireerd door de efficiëntie van natuurlijke ecosystemen. Hierin is nauwelijks sprake van verspilling doordat het product van het ene proces de input vormt voor een ander proces (Pauli, 1997). Energie en voedingsstoffen worden op deze manier doorgegeven binnen het ecosysteem.

Ook in de huidige samenleving is het mogelijk een dergelijk geïntegreerd systeem te ontwikkelen. De Blue Economy gaat er vanuit dat aan de basisbehoeften van de mens voldaan kan worden door gebruik te maken van lokaal beschikbare middelen, net zoals een ecosysteem dat doet. Innovaties moeten daarom gericht zijn op de natuur, waardoor het verbruik van grondstoffen beperkt kan worden. Ook wordt (bijna) ieder materiaal dat deel uitmaakt van het productieproces opnieuw gebruikt en is er niet of nauwelijks sprake van afval. Het hergebruik van materialen leidt tot een schoner milieu en nieuwe bedrijfsprocessen, waardoor nieuwe werkgelegenheid wordt gecreëerd en de  welvaart toeneemt (Spielberg, 2011).

Om dit te bereiken moet er een heroriëntering plaatsvinden van productieprocessen met zeldzame materialen en hoge energiekosten, naar meer eenvoudige processen met schone technologieën. Bedrijven moeten afstappen van een model dat gebaseerd is op een enkele kerncompetentie of schaalvoordelen. In plaats daarvan moet een lijneconomie worden gevormd, waarin bedrijven samen werken in functie van hun gebruikte materialen. Deze samenwerking wordt ook benadrukt door de VN, die de Blue Economy beschrijven als ‘een  internationale gemeenschap van bedrijven, vernieuwers en wetenschappers die open toegang verlenen tot bronnen voor het ontwikkelen, implementeren en delen van welvarende bedrijfsmodellen die streven naar het verbeteren van natuurlijke ecosystemen en kwaliteit van leven voor iedereen’ (VN, 2011). Innovaties zullen ertoe leiden dat huidige productie- en consumptiegewoonten veranderen, waardoor ruimte ontstaat voor duurzame ontwikkeling (Posada, 2010). Zo zal productie worden afgestemd op materialen die lokaal beschikbaar zijn, waardoor ondernemers niet langer afhankelijk zijn van delfstoffen, nieuwe chemische verbindingen en niet-hernieuwbare energie (Pauli, 2011).

Het concept van de Blue Economy is geïntroduceerd door Gunter Pauli, auteur van het boek ‘The Blue Economy: 10 Years, 100 Innovations, 100 Million Jobs’. Het idee van een Blue Economy is voortgekomen uit kritiek op de Green Economy. Deze heeft als doel dat economische groei en investeringen niet ten koste gaan van het milieu en het sociale welzijn van de mens. Maar in de Green Economy moeten consumenten meer  betalen voor minder kwaliteit, en krijgen investeerders een lager rendement (Pauli, 2012). Deze tekortkomingen doen zich niet voor in de Blue Economy.

Plastic soep

april 2, 2012 by

Het begrip Plastic soep (ook “Great Pacific Garbage Patch” genoemd) staat voor een hoog geconcentreerde verzameling van plastic afval in de oceanen, meestal onder het wateroppervlak, die exponentieel groeit (de Boer, 2009, p. 18-19). Dit wordt mogelijk gemaakt doordat meer dan 240 miljoen ton plastic per jaar door de mens wordt gebruikt (http://plasticsoupfoundation.org). De reikwijdte van dit verontreinigd gebied is even groot als de oppervlakte van de Verenigde Staten en werd rond tien jaar geleden toevallig ontdekt. Er is sprake van een aandeel grotere stukjes plastic dat zes keer zo hoog is als het aandeel van plankton in de wereldzeeën.

Een deel van deze soep is zelfs nog afkomstig uit de eerste generatie van plasticproductie in de jaren 50 en voor het andere deel zijn vooral de Japanners verantwoordelijk voor deze milieuverontreiniging. Door de invloed van verwering, zonlicht en golfslag valt het plastic uiteen in steeds kleiner wordende stukjes, zogenoemde microplastics. Het proces wat hierbij plaatsvindt wordt degradatie of fragmentatie genoemd (http://plasticsoupfoundation.org/wat-is-plastic-soep/). Microplastics zijn kleiner dan een derde millimeter zijn, waardoor zij ook de grootste schade opleveren: het is namelijk niet mogelijk om deze kleine bestandsdelen uit het water te filteren en vissen kunnen ze niet van plankton onderscheiden (de Boer, 2009).

Microplastic vervuilt de kusten, verspreid over zes continenten, op 18 plekken wereldwijd, waarbij de dichtheid van de bevolking in de desbetreffende regio de aanwezigheidgraad van plastic bepaalt (http://plasticsoupfoundation.org). Over de afgelopen 50 jaar is de wereldbevolking met een percentage van 250% verhoogd. In die tijd is ook het aantal aan microfragmenten in het gebied van de Noord-Oost Atlantische oceaan omhoog gegaan (http://plasticsoupfoundation.org). Plastic bevat een hoog aantal giftige stoffen die vissen als voedsel opnemen. Als de mens vervolgens vis gaat eten, neemt ook hij de giftige stoffen in zijn lichaam op. Aan de hand van dit proces komen gezondheidsschadelijke stoffen dus in de voedselketen terecht (http://plasticsoupfoundation.org/wat-is-plastic-soep/). Dit laat zien dat uiteindelijk niemand zich van de gevolgen voortkomend uit de plastic soep kan onttrekken.

Water footprint

april 2, 2012 by

De water footprint geeft de hoeveelheid water aan die een gemiddelde wereldburger per jaar gebruikt. Het begrip is ontwikkeld naar de analogie van ‘ecological footprint’: de oppervlakte land of water die nodig is om hulpbronnen te produceren of afval te absorberen. Hierbij is altijd sprake van de gebruikte hoeveelheid zoet water, dat wil zeggen de hoeveelheid vers water (Hoekstra, 2007).

De hoeveelheid zoet water die nodig is voor de productie van goederen en diensten kan worden onderverdeeld in internal- en external water footprint. Internal water footprint geeft aan hoeveel water uit het eigen land nodig is om de goederen te produceren en de external water footprint geeft aan hoeveel water uit anderen gebieden en landen komt om deze goederen te kunnen produceren. Uit de external en internal water footprint kan de algemene hoeveelheid water die in totaliteit wordt gebruikt voor de productie van goederen en diensten voor een land worden berekend (Hoekstra, Chapagain, Aldaya & Mekonnen, 2011).

De water footprint van Amerika is zeer hoog (2480 m3/cap/yr), onder andere door de hoge consumptie van vlees per capita en een grote consumptie van industriële producten. Daarentegen is de water footprint van bijvoorbeeld Ethiopië zeer laag (675 m3/cap/yr).

Hieruit blijkt dat er een ongelijke zoet water veredeling is. Terwijl sommige landen heel veel zoet water gebruiken, zijn er ook landen die erg weinig zoet water gebruiken (Hoekstra & Chapagain, 2007).

Er zijn vier belangrijke oorzaken die tot een hoge water footprint leiden. Ten eerste is er een hoge algemeen consumptie te zien, omdat het welvaartsniveau van westerse landen steeds stijgt. Ten tweede is er ook een water intensief consumptiepatroon te observeren, bijvoorbeeld een hoge mate van vlees consumptie. Ten derde leidt de verandering van het klimaat ook tot een hoge water footprint. Ten slotte is een oorzaak te zien in de agrarische productiemethoden omdat te weinig landen gebruik maken van een efficiënte manier van water technologie (Hoekstra & Chapagain, 2007). Om waterschaarste te voorkomen is het belangrijk de water footprint van vele landen steeds in het oog te houden en een duurzame oplossing met behulp van water management te vinden. Daardoor kan het watergebruik van de landen met een te hoog verbruik worden gereduceerd.

Wereldburgerschap

april 2, 2012 by

De term wereldburgerschap (ook wel mondiaal burgerschap) heeft geen eenduidige definitie en wordt door diverse instituties op verschillende manieren  gebruikt. Wereldburgerschap hangt sterk samen met burgerschap. Burgerschap verwijst naar de bereidheid en het vermogen van burgers om deel uit te maken van een gemeenschap en een actieve bijdrage te leveren aan de samenleving. Twee hoofdrichtingen van burgerschap worden onderscheiden. Ten eerste burgerschap in de context van inburgering en participatie van allochtonen wat nauw samenhangt met het integratiebeleid en ten tweede burgerschap als de actieve participatie van alle burgers in het publieke domein (Tonkens, 2006:161; Hendriks en Van de Wijdeven, 2007:161 in Jonker, Diepstraten & Kieboom, 2011).

De tweede richting, gericht op actief burgerschap, is in de praktijk voornamelijk terug te vinden in het onderwijs. Sinds 2006 is het basis- en voortgezet onderwijs verplicht om het vak ‘burgerschap’ aan te bieden binnen het curriculum. (Van Genderen, 2006). Burgerschap beperkt zich echter niet tot het lokale of nationale publieke domein. Vandaag de dag staan gemeenschappen of samenlevingen niet meer geheel op zichzelf maar zij zijn afhankelijk van wat er op mondiaal niveau gebeurt. Wereldburgerschap of mondiaal burgerschap gaat dus voorbij de grenzen van een gemeenschap of natiestaat en betreft de actieve participatie en betrokkenheid van burgers op mondiaal niveau. Op verschillende onderwijsinstellingen wordt daarom al de brug geslagen van burgerschap naar wereldburgerschap (Plaisier, 2009).

Het NCDO (Nationale Commissie voor Internationale samenwerking in Duurzame Ontwikkeling) heeft een leidende rol in de vormgeving van de term wereldburgerschap. Het NCDO definieert wereldburgerschap als de internationale dimensie van de betrokkenheid van mensen bij de samenleving en hun participatie in de maatschappij. […] Het gaat hierbij om een bewustzijn dat zich uitstrekt tot buiten de grenzen van de lokale of nationale gemeenschap, empathie met en respect voor mensen uit andere delen van de wereld, inzicht in internationale ontwikkelingen en reflectie op de vele verbanden tussen de persoonlijke situatie en de omstandigheden elders, en de bereidheid daar conclusies aan te verbinden (NCDO, 2009:11).

Echter is er onlangs een publicatie van het NCDO uitgekomen waarin wordt gesproken over mondiaal burgerschap. In ‘Mondiaal burgerschap, van draagvlak naar participatie’ (NCDO, 2012) wordt de mondiale dimensie van burgerschap als volgt beschreven: De mondiale dimensie van burgerschap uit zich in gedrag dat recht doet aan de principes van wederzijdse afhankelijkheid in de wereld, de gelijkwaardigheid van mensen en de gedeelde verantwoordelijkheid voor het oplossen van mondiale vraagstukken (2012:28). Het gaat in deze omschrijving dus om gedrag dat bijdraagt aan een gelijkwaardige en duurzame wereld. Het NCDO ziet duurzame ontwikkeling als een thema’s rondom mondiaal burgerschap. Daarnaast onderscheidt het NCDO een formele (grensoverschrijdende regelgeving en instituties) en morele dimensie (morele plichten van burgers ten opzichte van elkaar) van mondiaal burgerschap (NCDO, 2012).

Een andere organisatie actief op het gebied van wereldburgerschap is Stichting Edukans. Een van haar doelstellingen is het verbinden van het onderwijs in Nederland met onderwijs in ontwikkelingslanden. Hierbij dragen de programma’s, acties en materialen van Edukans bij aan de mondiale burgerschapsvorming van leerlingen in Nederland. In de visie van Edukans heeft wereldburgerschap vijf elementen. (1) Jezelf kennen, (2) zien wat jou met anderen verbind, (3) je openstellen voor en leren van anderen, (4) betrokkenheid en (5) een bijdrage leveren aan een betere wereld. Volgens Edukans draagt wereldburgerschap in het onderwijs bij tot een rechtvaardige wereld zonder uitsluiting (Edukans, 2012).

 

 

&nbsp=

Participatie-ethiek

april 2, 2012 by

Participatie-ethiek is een vorm van ethiek die zich voordoet in het ondernemerschap. Bij deze vorm van ethiek tracht een onderneming een bijdrage te leveren aan een betere maatschappij.  Door samen te werken met andere organisaties, die veelal dezelfde belangen hebben, ontstaat een soort ondernemingsburgerschap waarbij deze organisaties verantwoordelijkheid nemen voor de maatschappij (De Leeuw, 2007).

Participatie-ethiek kent drie centrale begrippen: alertheid, dit houdt in dat ondernemingen moreel geprikkeld moeten worden door wat beter kan en/of zou moeten in de samenleving. Fatsoen, het gevoel bij ondernemingen dat de minder bedeelden niet achtergesteld mogen worden. Tot slot emancipatie, dit begrip borduurt verder op een vorm van fatsoen en spreekt een streven uit waarbij ieder lid van de samenleving een volwaardig burgerschap verdient (Jeurissen & Musschenga, 2002).

Op het gebied van participatie-ethiek zijn er veel mogelijkheden voor ondernemingen die gedeelde belangen hebben op maatschappelijk gebieden. Volgens Henk van Luijk, hoogleraar bedrijfsethiek, zijn hierbij de volgende drie kenmerken van toepassing: ten eerste kan het belang alleen gerealiseerd worden door de deelname van alle partijen. Ten tweede kan deelname van organisaties niet moreel afgedwongen worden. Ten derde hebben de deelnemende partijen geen aanmerkelijk winstbelang bij deelname en kunnen ze het zonder blijvende schade ook achterwege laten (De Leeuw, 2007)

Participatie-ethiek doet zich voornamelijk voor in de sportondernemerswereld. Een goed voorbeeld is voetbalclub Ajax. Ajax is ambassadeur van de zogenoemde Cruyff Courts. Dit zijn speelveldjes die in verschillende wijkjes worden aangelegd. Andere participanten bij dit project zijn stichting Cruyff Courts KNVB Velden en de gemeente Amsterdam. De stichting  faciliteert de veldjes, de gemeente wordt eigenaar en Ajax organiseert jaarlijks enkele activiteiten bij de Cruyff Courts. De KNVB en Ajax profiteren hiervan, omdat meer kinderen gaan voetballen en eventueel lid worden van een voetbalclub en door kunnen groeien naar de jeugdopleiding van Ajax. De gemeente profiteert aangezien kinderen zo een speelplek hebben en niet op straat rondhanden. Hoewel zij geen directe deelnemer zijn, profiteren ook sponsors en media door de toenemende belangstelling voor het voetbal (Chung, 2008).

Zoals in bovenstaand voorbeeld te zien is er sprake van een win-win situatie. Alle deelnemende partijen profiteren bij deze vorm van participatie-ethiek. Doordat verschillende organisaties met dezelfde belangen gezamenlijk verantwoordelijkheid nemen voor een betere maatschappij ontstaat er een vorm van maatschappelijk verantwoord ondernemen die succesvol blijkt te zijn.

Klimaatmonitor

april 2, 2012 by

In Nederland wordt regionaal en lokaal klimaatbeleid in de gaten gehouden. Met de gegevens die daaruit vooruit komen kan een klimaat voetafdruk worden gemaakt. Zo weten de regionale en lokale instanties hoe het gesteld is met het klimaat in hun gebied en hoe deze veranderd is in de loop der jaren. Dit wordt ook wel de klimaatmonitor genoemd. Deze klimaat monitor behandeld onder andere de CO2 in een gebied (Klimaat monitor database, 2012).  Tevens komen in de klimaat monitor bijvoorbeeld energielabels, aardgasauto’s, windvermogen en verschillende andere broeikasgassen aan bod (Agentschapnl klimaat monitor, 2012).

De klimaat monitor is ontstaan vanuit AgentschapNL en BECO. Deze klimaatmonitor is online en gemeenten kunnen zelf hun data invoeren in deze database, door middel van een vragenlijst. Daarnaast worden ook landelijke bronnen gebruikt om het beeld compleet te maken. De database bevat gegevens over het klimaatbeleid van nu en wat nodig is om de vastgestelde doelen te bereiken. De gegevens van de klimaatmonitor per gemeente zijn te vinden op: http://www.klimaatmonitor.databank.nl (Duurzaam ondernemen, 2012).

De klimaat monitor heeft drie doelen. De eerste is dat het zorgt dat gemeenten makkelijk informatie beschikbaar hebben over hun klimaatbeleid en de gegevens van het klimaat in hun gebied. Daarnaast willen de rijksoverheid en andere belanghebbenden kunnen zien hoe het gesteld is met het klimaatbeleid van gemeenten. Het laatste doel is dat gemeenten van elkaar kunnen leren over het klimaatbeleid (Nijsink, 2010).

Door het klimaat in een gebied in de gaten te houden en te onderzoeken, kunnen nieuwe systemen en beleidsmaatregelen worden ontwikkeld die de risico’s van de klimaatverandering kunnen verminderen. Als elke gemeente dit doet, heeft dit uiteindelijk ook effect voor het hele land. Overheden kunnen grote wet- en beleidsmaatregelen nemen tegen de klimaatverandering, maar veel kleine maatregelen zijn beter te regelen op gemeentelijk niveau (Adger, Arnell & Tompkins, 2005).